Ontstaan en groei van de EU in jaartallen

194l In de V.S. begint een discussie over de vraag hoe Duitsland na de oorlog aangepakt moet worden. Henry Morgenthau (minister van financiŽn) wil Duitsland na de oorlog reduceren tot een landbouwstaat. Roosevelt keert zich hier van af.
1945 Besprekingen in Jalta (februari) (Churchill, Stalin, Roosevelt) en Potsdam (juli) (Churchill, Stalin, Truman). Plan samengevat in vier ďd'sĒ: demilitarisering, denazificering, democratisering en dekartellisering. Duitsland wordt verdeeld in vier bezettingszones.
1945 Oprichting van de Verenigde Naties (UNO). Is de opvolger van de Volkenbond. Dagelijks bestuur: de Veiligheidsraad (de vijf grote mogendheden moeten eenstemmig handelen).
1948 Het Marshallplan. Dit maakt het nodig dat de West-Europese landen gaan samenwerken bij de besteding van het geld.
1948 Oprichting van de Benelux. Dit is een douane-eenheid. Het plan was al in 1944 ontstaan.
1949 Oprichting van de Bondsrepubliek Duitsland (met zelfstandig leger). Konrad Adenauer (72 jaar) wordt bondskanselier.
1949 Oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO).
1951 Oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) door de Benelux, de Bondsrepubliek, Frankrijk en ItaliŽ. De achtergrond hiervan is dat Frankrijk en de Benelux Duitsland wantrouwen en een controleraad eisen voor het Ruhrgebied. De Duitsers vinden dit echter te bevoogdend en daarom stelt Robert Schumann een compromis voor: een gemeenschappelijke markt. Voor de controle wordt het Europees Parlement ingevoerd (samengesteld uit parlementsleden van de 6 landen). De EGKS moet ook voorkomen dat ťťn land te veel wapens gaat produceren.
1953 In Nederland wordt een grondwetswijziging ingevoerd die de regering een verregaand mandaat geeft om Europese verdragen te sluiten, ook als die op gespannen voet staan met de Nederlandse grondwet.
1957 Oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Wordt aanvaard bij het verdrag van Rome. Zes lidstaten: Frankrijk, ItaliŽ, Bondsrepubliek, Benelux.
1957 Oprichting Euratom. Voor de ontwikkeling van atoomenergie voor vreedzame doeleinden.
1967 Oprichting van de Europese Gemeenschap (EG). Dit is een samenvoeging van de EGKS, de EEG en Euratom. Bij de organisatie behoren het Europees Parlement en de Europese Commissie (dagelijks bestuur).
1973 Toetreding van Groot-BrittanniŽ tot de EG. Dit was voorheen tegengehouden door De Gaulle, die meende dat men hiermee een paard van Troje zou binnenhalen. Ook Ierland en Denemarken treden toe.
1981 Toetreding Griekenland tot de EG.
1985 Na lange discussie worden de Europese vlag en het Europese volkslied ingevoerd.
1986 Toetreding Spanje en Portugal tot de EG.
1989 Val van het ijzeren gordijn en het jaar daarop het uiteenvallen van de Sovjet-Unie
1990 De DDR wordt bij West-Duitsland gevoegd en wordt daardoor geruisloos opgenomen in de EG. West-Duitsland zal de Sovjet-Unie daarvoor 13 miljard mark betalen.
1990-91 De (tweede) Golfoorlog in Irak.
1992 Oprichting van de Europese Unie (EU) bij het verdrag van Maastricht. Dit wordt dus de nieuwe naam voor de EG. Er wordt bepaald dat de EU in de toekomst een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid zal gaan voeren. Ook wordt besloten tot het oprichten van een Economische en Monetaire Unie (EMU) om te komen tot een gemeenschappelijke Europese munt. Het verdrag wordt ondertekend door 12 landen: BelgiŽ, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, ItaliŽ, Luxemburg, Nederland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.
1994 Finland, Zweden, Noorwegen en Oostenrijk worden geaccepteerd als toekomstig leden van de EU.
1998 Oprichting van de Europese Centrale Bank (ECB)
1999 Invoering van de euro in niet-fysieke vorm (giraal geld) voor 11 van de 12 landen van de EU. Dit betekent onder andere dat de waarde van obligaties en opties aan de beurs aangegeven wordt in euroís.
2000 Verdrag van Nice dat de toetreding van nieuwe lidstaten mogelijk maakt.
2001 Griekenland bij de eurozone.
2002 Invoering van eurobiljetten en -munten als wettig betaalmiddel in de 12 landen van de EU (plus Monaco, San Marini en Vaticaanstad).
2004 Principebesluit om toetredingsonderhandelingen met Turkije te beginnen.
2004 De ďEuropese grondwetĒ wordt goedgekeurd door een intergouvernementele conferentie.
2004 Tien nieuwe lidstaten worden toegevoegd aan de EU.
2005 De ďEuropese grondwetĒ moet door de 25 afzonderlijke landen worden geratificeerd (in sommige landen door het parlement, in andere door een volksreferendum). Nadat deze grondwet al in 9 landen was geratificeerd wordt hij door referenda in Frankrijk en Nederland afgewezen (in Nederland is de opkomst hierbij 63.3% en hiervan stemt 38.5% vůůr en 61.5% tegen). Hiermee is de zaak voorlopig van de baan. Volgens een rapport van de Europese Commissie is het Nederlandse ďneenĒ ingegeven door ďgebrek aan informatie, vrees voor verlies aan soevereiniteit, onvrede met de hoge financiŽle bijdrage aan de Europese begroting en kritiek op de regering BalkenendeĒ (Flash Eurobarometer 172: Post-referendum survey in The Netherlands, Brussel, 15 juni 2005). Er wordt besloten tot een bezinningsperiode van 2 jaar en er wordt een licht gewijzigde versie opgesteld: het ďHervormingsverdragĒ.
2007 Het ďHervormingsverdragĒ wordt in Lissabon goedgekeurd. Hierna gaan de EU landen akkoord, in Frankrijk (tijdens Chirac) en Nederland (tijdens Balkenende IV) nu zonder referendum. Dit gaat met de stille trom en een groot deel van de bevolking voelt zich gepasseerd.
2007 De euro wordt ingevoerd in SloveniŽ.
2008 De euro wordt ingevoerd op Cyprus en Malta.
2009 Het verdrag van Lissabon treedt in werking.
2009 Begin van de eurocrisis (of Europese staatsschuldencrisis). Deze crisis, die men kan zien als een uitloper van de kredietcrisis, ontstaat tengevolge van het feit dat Griekenland zijn lang opgelopen staatsschulden niet meer zelf kan financieren. Overeenkomstige problemen dreigen in ItaliŽ, Spanje en Portugal.
2009-2015 De euro wordt ingevoerd in Slowakije, Estland, Letland en Litouwen.

    De groei van het aantal landen dat behoort tot de ďEUĒ en tot de Eurozone
Jaar Naam Deelnemende landen Totaal Eurozone Totaal
1948 Benelux BelgiŽ, Luxemburg, Nederland 3
1951 EGKS + Bondsrepubliek, Franrijk, ItaliŽ 6
1957 EEG 6
1967 EG 6
1973 + Groot-BrittanniŽ, Ierland, Denemarken 9
1981 + Griekenland 10
1986 + Spanje, Portugal 12
1990 + Oost-Duitsland (opheffing DDR) 12
1992 EU 12
1995 + Finland, Oostenrijk, Zweden 15
1999 15 11 eurolanden 11
2001 15 + Griekenland 12
2002 15 (euromunt) 12
2004 + Estland, Letland, Litouwen, Polen, TsjechiŽ, Slowakije, Hongarije, SloveniŽ, Cyprus, Malta 25 12
2007 + Bulgarije, RoemeniŽ 27 12
2007 27 + SloveniŽ 13
2008 27 + Cyprus, Malta 15
2009 27 + Slowakije 16
2011 27 + Estland 17
2013 + KroatiŽ 28 17
2014 28 + Letland 18
2015 28 + Litouwen 19

Voor het laatste bijgewerkt op 26 februari 2015
Het aantal lidstaten van de EU is exact 28. Het aantal landen dat gerekend kan worden tot de eurozone is in werkelijkheid groter dan 19 doordat een aantal kleine landen en landen die een overeenkomst met de EU hebben gesloten hier niet zijn meegeteld.